RECENSIE YURI HONING AQ

Zondag 21 oktober 2018 I Windkracht 13

Het winnen van een Edison Jazz Award is nog geen garantie voor een uitpuilende zaal in Den Helder, maar Windkracht 13 was vol genoeg met echte liefhebbers om er een sfeervolle middag van te maken.

Goldbrun is de titel van het album – op CD en 180 grams vinyl (!) uitgebracht – dat goed was voor het binnenhalen van zijn tweede Edison. Dat album werd integraal uitgevoerd, exact zoals op de plaat, volgens Honing zelf. Maar dan onderbroken door een pauze…..ach, een ouderwetse LP moet je tenslotte ook omdraaien.
Voor dit project haalde de saxofonist en componist zijn inspiratie uit de Duitse romantiek uit de 19e  eeuw. Goethe, Caspar Friedrich, Wagner, R. Strauss, om een idee te krijgen. Al eerder had Honing jazz met Europese muziektradities in verband gebracht bij een project als “Winterreise”, waarbij liederen van Schubert de basis waren. Op het eerste gezicht lijkt het een onmogelijke opdracht om jazz met bijvoorbeeld Wagner in verband te brengen. Maar al direct vanaf het openingsstuk “Goldbrun #1” bewees het kwartet dat in de muziek alles mogelijk is. De muziek klonk meteen soeverein, Honing blies lange krachtige notenlijnen, die je het best kunt omschrijven als ‘de Klare Lijn’, warm, helder, lenig op alle dynamische niveaus. Hij is zo’n saxofonist die een volkomen eigen geluid heeft.Ach ja, Duitse romantiek. Maar het is knap, want in al de Goldbrun variaties (van 1 t/m 8) hoor je inderdaad der Weltschmerz en die Sehnsucht in vrijwel alle noten en akkoorden weerklinken.

Gelukkig is daar slagwerker Joost Lijbaart! Slagwerker ja, want dat is hij meer dan drummer. Als de muziek al te zwaarmoedig of melancholisch dreigt te worden, dan wordt dat op prachtige wijze door hem verluchtigd – als een soort slagroomklopper driftig in de weer met brushes, sticks en pompoesjes (of hoe die bolletjes ook mogen heten). Het was soms bijna hilarisch om te zien hoe hij wisselt van drumgerei. Hij moet hier wel wereldrecordhouder in zijn! Binnen een paar luttele maten verwisselt hij razendsnel van slagtuig, waarbij ook zijn blote handen horen. Soms zie je hem aarzelen als hij een stick pakt en toch weer snel neerlegt om een brush te pakken. Soms moet hij ook nog snel zijn afzakkende bril weer terug en hoger op zijn neus plaatsen. Hij doet dat allemaal in opperste concentratie. Je ziet hem reageren op wat de anderen doen. Zijn onorthodoxe spel past als een perfect gesneden handschoen bij deze muziek. Ik las ergers over Goldbrun, dat daarbij ‘harmonie boven ritme’ zou gaan, maar toch wist Lijbaart soms met al zijn eigenzinnigheid een soort groove te realiseren, die aangenaam was.

Allemaal goed en wel met die Duitse romantiek: had het nog iets met jazz te maken? Nou zeker, want al die weemoed en dat verlangen leidde op een bepaald moment tot een ware explosie, waarbij Yuri Honing zijn mooie lange lijnen geleidelijk inwisselde voor een steeds heftiger bebop solo en daarbij Lijbaart uitdaagde tot een explosief crescendo. Geweldig! De slagwerker kreeg trouwens een paar keer terecht de handen op elkaar met een paar enerverende solo’s.

Ook bassist Gulli Gudmonson kreeg enige ruimte om zijn contrabas te laten zingen. De verder ijzig, onverstoorbaar en gedegen spelende musicus hield bij zijn solo’s zijn instrument in een vertederende omhelzing vast en ontlokte zijn Muze fraaie zangerige, welhaast sensuele klanken: zuchten en kreunen…….

 

Het samenspel was bij vlagen adembenemend en bij het absolute hoogtepunt van het concert – in het begin van de tweede set ( Goldbrun 7 of 8) – voor uw recensent zelfs kippenvel opwekkend! Gudmondson en de uitstekende pianist Wolfert van Brederode bouwden aan een subtiel intro, waarbij ze beiden als het ware – aftastend zoekend – om elkaar heen draaiden met noten, die naar elkaar toe kropen en weer terugdeinsden als in een ‘pas de deux’, waarbij Joost Lijbaart zich aandiende als ‘menage à trois’ met verkwikkende cimbaal streken, afgewisseld met bijna het tandglazuur aantastende bekken vibraties.
Met musici van deze klasse kan muziek echt genot worden.

Van Brederode is de perfecte pianist voor deze muziek. Zijn spel is ingehouden en zeer beheerst, hij speelt geen noot te veel, maar weet met schitterend geplaatste akkoorden de spanning op te bouwen. Ook hij lijkt constant te zoeken naar de juiste harmonische invulling en doet dat met een ongeëvenaarde rust, zodat zijn fraaie akkoordreeksen nog beter op hun plaats vallen. Ook in zijn solo’s is rust – het gebruik van pauzes – kenmerkend. Het geeft zijn bijdragen lucht, maar ook kracht en schoonheid. Af en toe konden we hem zelfs als Keith Jarrett, mee horen neuriën met zijn piano.

Yuri Honing vertelde het publiek nog dat hij een nieuwe buurman heeft, die wij wel zouden kennen: Rob Scholte. Volgens hem was die bezig ‘met het inhuren van een stel Joegoslavische huurmoordenaars…..’                                                                              En zo was er deze middag naast schoonheid ook ruimte voor hilariteit.

Gerard Hoekmeijer   

RECENSIE KRUPA & THE GENES

Zaterdag 15 september 2018 I Windkracht 13

‘Kermis in de hel’, zo omschreef een recensent de muziek van Krupa & The Genes en treffender kan je het niet benoemen. Toch paste deze metafoor niet op alle stukken van dit ogenschijnlijk willekeurig bijeengeraapte stelletje klasbakken in de jazz.

Want er waren ook veel momenten van meer meditatieve aard. De groep is opgebouwd rond de drumtandem Stefan Kruger en Joost Patocka (juist ja: Kru en Pa en – oh toeval – ook een knipoog naar de legendarische swingdrummer Gene Krupa). Een groep met twee slagwerkers is redelijk bijzonder in de jazz. Misschien bracht ze dat op het idee om de andere plekken ook met duo’s op te vullen. Zo traden er in Windkracht 13 twee gitaristen voor het voetlicht, die echter totaal verschilden in aanpak. Alsof ze dat nog extra wilden benadrukken, bezetten zij de vleugels van de groep.

Raphael Vanoli speelt het gehele concert zittend met zijn gitaar op schoot, continu een arsenaal aan elektronica bedienend voor het verzorgen van een vrijwel continue drone aan ijle sustainvolle klanken into outer space. Denk aan Eno bij Roxy Music of aan Heroes van Bowie. Zijn aanpak lijkt ook wel een beetje op de ‘frippertronics’ van King Crimson gitarist Robert Fripp, die ook op dat album meespeelde.

Aan de andere kant speelt Anton Goudsmid in zijn authentieke stijl stevige en ritmisch perfect geplaatste akkoorden, afgewisseld met strakke riffs en subtiele loopjes, die de vaak stomende groove van de drums en bassist Sean Faciani nog meer kleur op de wangen geven. Deze laatste speelde de hele avond gedegen, stuwende baslijnen zonder op de voorgrond te treden.

Ook de twee drummers verschillen in stijl. Kruger, vooral bekend van Zuco 103, is de man van de strakke grooves, terwijl Patocka een meer losse swing in de polsen heeft. Het mooie van deze bijzondere samenstelling is dat ze ook fijn complementair is. Als de snare van Kruger knalt door de ferme stokslagen, roerbakt Patocka het velletje vrolijk met zijn brushes om zo als het ware wat lucht toe te voegen.

Prominent – ook op het podium – in de groep is de rol van de twee rietblazers Maarten Hoogenhuis en Jasper Blom. Fantastisch klinken de alt- en tenorsaxen samen als zij lange, vaak complexe en zeer strak uitgevoerde, unisono lijnen spelen. Het blijft een genot om naar zulke uitstekende blazers te luisteren. Van de zachte subtiel aangeblazen passages met veel lucht tot aan de hectische carrousel trip in ‘de hel’, alwaar ze tegen elkaar in krijsen en gillen……. en weer terug. Opvallend was het zichtbare spelplezier van de heren, vooral ook van de toch meestal ingetogen spelende Jasper Blom. Al in het eerste prima stuk van en over ‘de poes van’ Hoogenhuis viel hij al op als zanger. Maar dan wel met een door enige elektronica vervormde stem. Ook Maarten Hoogenhuis had een bezoek gebracht aan de snoepwinkel vol met elektronica en draaide ter afwisseling van zijn sax spel met de kleppen enthousiast aan de knopjes.

Het goed met publiek gevulde Windkracht 13 was getuige van een lekker los spelende band, die veel heerlijk hypnotiserende grooves voortbracht. De muziek is verhalend, filmisch en blijkt bij geconcentreerde beluistering ook rijk aan fijne details. Zo speelde Anton Goudsmit geweldige – soms contrapuntige – lijnen, vooral ten dienste van het geheel. Hij soleerde maar een paar keer kort en, zoals we van hem gewend zijn: uitstekend. Dat is trouwens ook wel opvallend bij deze eigentijdse jazz: weinig individuele solo’s, maar vooral inventief collectief samenspel. Wel was er een heel stuk lang ruimte voor de spacegitaar van Vanoli, die heerlijk gedijde in de bijna sensuele ritmiek van zijn kompanen. Krupa & The Genes speelt louter eigen composities van vrijwel alle bandleden.

Zo ontpopte Jasper Blom zich ook nog als beginnend cabaretier met een lange en grappige inleiding over een muzikale ‘guilty pleasure’ uit zijn jeugd, disco! Zijn stuk daarover bevatte inderdaad een enigszins gecamoufleerde ‘four at the floor’ beat. Spreekstalmeester Joost Patocka noemde ook nog Duke Ellington als inspiratiebron van een van zijn songs, maar ik nam dat maar voor kennisgeving aan, want ik hoorde het niet.

 

 

Goudsmids’ Kriminal Polizei’ was wat mij betreft een van de hoogtepunten van dit heerlijk avondje, een opwekkend, vrolijk swingend stuk. Ook zijn compositie opgedragen aan Donald Trump, treffend getiteld Droplul (is dat niet het beledigen van een bevriend staatshoofd?) bleek een opgewekt lied te zijn met zijn lichtvoetige, Afrikaans getinte groove.

Het publiek vond het allemaal prachtig en liet de band nog terugkomen voor een toegift. Het was al met al een prima optreden van een heel fijne band. Op naar het volgende concert!

Gerard Hoekmeijer 

RECENSIE THE BIG HORNS

Zaterdag 16 juni 2018 I Windkracht 13

Het Helders Jazzweekend lijdt al jaren een kwijnend bestaan. In de jaren tachtig van de vorige eeuw kon je ‘over de hoofden’ lopen in de Koningstraat, maar in het daaropvolgende decennium liep de belangstelling steeds meer terug. Dat was vooral te wijten aan gemakzucht en verkeerde zuinigheid van de organiserende horeca, die slechts oog had voor de bierpomp. Het jazzweekend deed zijn naam steeds minder eer aan met alleen maar goedkope lokale coverbandjes. Jazzgehalte: 0,0. Heel cynisch paste men de naam hierop aan: ‘het Helders Jazz en muziekweekend’. Een gotspe natuurlijk, het zegt veel over de intenties van de kroegbazen.

Samen met jazzgenootschap Nieuw & Diep probeert Windkracht 13 al een aantal jaren de vlag van het jazzweekend hoog te houden met het programmeren van professionele bands van niveau. In 2002 startte men met Advanced Warning, het roemruchte powertrio van tenorsaxofonist Rinus Groeneveld, Hammond organist Herbert Noord en drummer Pierre van der Linden. De afgelopen jaren stal de Amsterdamse funkband The Jig hier de show en vermaakte het massaal toegestroomde publiek met volvette en messcherp gespeelde funk. Alles op de één, en WK13 werd in een klap omgebouwd tot Funkenstein. Afgelopen zaterdag werd er echter uit een heel ander vaatje getapt bij het spetterende optreden van The Big Horns uit Rotterdam en omgeving. Nu lag de nadruk op de derde tel: Skatologica heerste de gehele avond.

The Big Horns is een samenwerkingsverband van RSJF (Rotterdam Ska Jazz Foundation) en BOSCO (Bogers Swing College). Het bleek een gouden greep te zijn: speel jazz Standards en bigband repertoire uit de jaren veertig, vijftig en zestig in lekkere ska arrangementen en hoppa, de voetjes gaan van de vloer!                                                                                                                                                                        De band bestaat uit een ritmesectie van drums, bas, gitaar een toetsen en een flinke zeskoppige blazers eenheid. Ska is de Jamaicaanse voorloper van de reggae en ontstond uit de Rocksteady en kwam tot bloei in de legendarische Studio One van producer Clement Dodd op het rum eiland. De stijl werd groot gemaakt door bands als The Skatalites en organist Jackie Mittoo. In feite werden Jamaicaanse ritmes gemengd met funky New Orleans blazerspartijen.                                                                            Ska is gewoon snelle en dansbare reggae, ideaal voor een avondje uit. Daar lustten Britse bleekscheten en hun zwarte vriendjes wel pap van aan het eind van de jaren zeventig: The Specials, Madness en The Selecter van het populaire 2 Tone Label scoorden hit na hit.

De blazers van The Big Horns speelden niet alleen heerlijk strak en romig, maar hadden zich ook gehuld in ‘baggy trousers’ en hun outfit werd passend afgemaakt met een zonnebril. Slechts het bijpassende dansje ontbrak eraan. Aan het showelement mag echter nog wel wat geschaafd worden, om toch maar een kritische noot te kraken. Zo deed gitarist Jeroen van Tongeren wel zijn best om flitsende aankondigingen te doen, maar dat moet nog wel wat beter en duidelijker worden. Ook de olijk bedoelde synchrone bewegingen van de blazers kwamen niet helemaal uit de verf. Maar gelukkig maalde het enthousiaste publiek hier helemaal niet om, want de muziek deed zijn werk. Dezelfde gitarist Jeroen speelde een paar fijne vette solo’s en het daaropvolgende chorus met robuust blaasgeweld ging erin als koek. Ja, waar hoor je dat nog tegenwoordig, zo’n uitgebreide band met echte instrumenten? Hidde Wijga – ‘de vrolijkste toetsenist van Nederland’ – kreeg alle ruimte om zijn smaakvolle spel te etaleren met prima solo’s en heerlijk ritmisch geplaatste accenten op orgel en piano. Drummer Dimitri Jeltsema bespeelde zijn kleine kit met een nog kleinere basdrum zo strak als een deur en met veel power en vormde met de uitstekende bassist Merijn van Wijdeveen het krachtige motortje in de machinekamer van The Big Horns. En deze laatsten speelden niet alleen lekkere chorussen, maar stonden stuk voor stuk voor prima solo’s. 1e trompettist Daan Bogers leidde ‘het bal’ met krachtige en virtuoze erupties, waarna de rest niet kon achterblijven. Het publiek vond het prachtig en anticipeerde met terecht applaus. Helaas bleken de tenor- en bariton sax niet goed door de geluidsmix te komen door een technisch mankementje van hun contactmicrofoons. Het mocht de pret echter niet drukken en later bleek het euvel verholpen. De kenners hoorden onder anderen Milestones (Miles Davis), The Sidewinder (Lee Morgan) en Minnie The Moocher (Cab Calloway) voorbijkomen, de laatste met een mooi afgestopte trompet. Ook het overbekende St. James Infirmary kreeg een fraaie uitvoering in een langzame reggae Groove.

The Big Horns hebben nog wat te weinig repertoire om een hele avond te vullen, maar DJ Erik van Houwelingen voelde de sfeer gelukkig goed aan en vulde de pauzes uitstekend en naadloos in met de juiste muziek.
Er was jazz in WK13, en ska, en er werd volop gedanst en geswingd. Het was goed. Het was jazzweekend in Den Helder…………

Tekst Gerard Hoekmeijer    

 

RECENSIE TEUS NOBEL LIBERTY GROUP

Zondag 29 april 2018 I Windkracht 13

Buiten was het perfect op de Lenteboktocht afgestemd, druilerig regenweer, maar binnen in Windkracht 13 verscheen op zondag 29 april de zon stralend aan het firmament, eh….nou ja….het systeemplafond…… Zo’n weerkundig onverklaarbaar fenomeen doet zich maar een enkele keer in een mensenleven voor, dus de kleine veertig aanwezigen konden zich met recht ‘the lucky few’ voelen. De oorzaak van dit alles lag bij de jonge trompettist Teus Nobel, die samen met zijn Liberty Group een magistraal optreden gaf, dat uw recensent nog lang zal heugen.

Al bij het tweede nummer sloegen de heren ongenadig toe: een onmogelijke, ongemakkelijke en tegendraadse ‘telganger’ riff van bas en drums, waarop de jonge – nog lekker blozende – pianist Alexander van Popta een waterval van fraaie arpeggio’s liet neerdalen, waarop de bandleider subtiel zijn solo kon opbouwen.

Deze ritmesectie, met de Belgische drummer Tuur Moens en Jeroen Vierdag, afwisselend op contrabas en basgitaar, bleek een ware revelatie te zijn. Moens speelt met ogenschijnlijk groot gemak en met een ongekende dynamiek de meest waanzinnige polyritmische partijen en zijn partner in crime, Vierdag volgt hem probleemloos.

Ook hij beheerst zijn instrument als een verlengstuk van zijn lichaam en speelt bovendien fraaie solo’s, waarbij hij zijn contrabas fluisterend laat zoemen, maar af en toe ook ongenadig laat knallen. Hij is natuurlijk wel wat gewend door zijn jarenlange samenwerking met Martijn Vink in The Ploctones, maar in deze Liberty Group lijkt hij zijn plek echt gevonden te hebben.

‘Dit bandje moet ik bij elkaar zien te houden‘, liet Nobel zich tegenover het publiek ontvallen. Dat is hem geraden ook, zo iets moois moet je koesteren. Niet alleen de ritmesectie, maar ook pianist van Popta gaf een visitekaartje af om U tegen te zeggen. Alles klopte aan zijn spel. Speels, licht, gedoseerd, verfijnd. Hij kreeg gelukkig ook alle ruimte om zijn beeldende verhalen te vertellen. Beginnend met kleine eenvoudige melodische miniatuurtjes, construeerde hij met impressionistische vegen van zijn rechterhand op het klavier spannende ontwikkelingen, steeds toewerkend naar filmische apotheosen, die na talloze verrassende cliffhangers werden bereikt. Adembenemend!

In de tweede set werd het allemaal nog mooier. Het openingsnummer was een ‘wereldpremière voor Den Helder’ en dat kan de stad wel gebruiken, nu we opgezadeld zijn met lokale politici, die het gemeentebestuur tot een lachwekkende farce degraderen. En wat voor een nummer! Een geweldig dwingende puls van de ritmetandem dwingt de andere heren tot het uiterste van hun kunnen. Chapeau!
De hoogtepunten volgden elkaar op en hielden het publiek op ‘het puntje van de stoel’.

Teus Nobel excelleerde in een prachtig intro, waarbij hij à la Eric Vloeimans mooie omfloerste lange noten met ‘valse lucht’ aanblies in een – naar zich liet aanzien – sfeervolle ballad. Maar de atypische drumsolo, die hierop volgde transformeerde geleidelijk in een onstuitbare hectische riff van bas en drums, waarop eerst van Popta en daarna Nobel schitterend soleerden. In dit stuk – alles van eigen hand – voelde je de band loskomen, opstijgen van planeet aarde (‘groundcontrol to major Tom!’), en het publiek ging mee.
Teus Nobel beschikt over een uitstekende beheersing zowel op trompet als flügelhorn. Zijn frasering en zijn timing zijn perfect en hij behoud in alle registers een fraaie toon. Moeiteloos schakelt hij van lage naar hoge versnellingen en steekt zo zijn leermeester, Jarmo Hoogendijk naar de kroon. Maar buiten zijn excellente spel mag ook zijn podiumuitstraling er zijn. Hij maakt met zijn ongedwongen presentatie makkelijk contact met het publiek en geniet zichtbaar mee van de verrichtingen van zijn band.

Ook in de ballads excelleert de band. Zo is er een fraaie ode aan Shuggie Otis met een bewerking van diens cult hit uit de seventies, Strawberry Letter 23, die uw recensent overigens nauwelijks meer herkende. Het afsluitende stuk dampt tenslotte aan alle kante over van intensiteit en klasse en zo krijgt de band het Helderse publiek aan zijn voeten met een staande ovatie. Ook de toegift was weer een hoogtepunt.
Een eenvoudig, zeventonig thema op de piano ingezet, na een paar maten strak gevolgd door de basgitaar, dat door deze Liberty Group bijna wellustig tot een zinderend einde wordt gebracht.

Teus Nobels Liberty Group is nu al een uitstekende band, die zich – zeker als ze langer bijeen blijven – kan meten met elke buitenlandse topact!

Recensie Gerard Hoekmeijer / Foto’s Fred Geldermans

RECENSIE ARTVARK & NTJAM ROSIE

Zondag 25 maart 2018  I Windkracht 13 I ca. 60 bezoekers

Het was een mooie lentezondag met zon en er was veel volk op de been, want er was ook van alles te doen in Den Helder. Toch bleef het nog wat fris voor de tijd van het jaar. Maar in Windkracht 13 kwamen bijna zestig belangstellenden bijeen om zich te laven aan de warmte, die muziek kan brengen. En dat bleek na afloop een heel goede keus te zijn geweest, want het saxofoonkwartet Artvark en zangeres Ntjam Rosie brachten Windkracht 13 in een warme gloed en een bijna euforische roes.

Een bijzondere formatie in de jazz, zo’n saxofoonkwartet. Ja, we kennen het fenomeen uit de klassieke muziek, met strijkers en blazers. Maar in de jazz……zonder drums of piano? Is er dan nog wel iets van groove? Gaat het nog wel swingen? Ja hoor, zo bleek al gauw: al die elementen kunnen ook opgeroepen worden met behulp van een bariton-, een tenor- en twee altsaxofoons. Peter Broekhuizen leidde de groove met knorrende, maar dwingende riffs, de tenor van Mete Erker bracht syncopische accenten, terwijl de twee alten van Bart Wirtz en Rolf Delfos afwisselend en gezamenlijk de melodische thema’s verzorgden.

 

 

 

 

 

 

 

 

De heren speelden akoestisch, zonder enige versterking en hun samenspel klonk onweerstaanbaar mooi. Prachtig, die harmonische samensmelting van de rieten. Bij zachte passages hoorde je soms ook het ritselen en rafelen als van een frisse bries door de kragen van de waterkant.

Het sterke van Artvark is dat ze heel afwisselend hun partijen wisselen: soms spelen de twee alten hun partij unisono en even later hoor je de tenor en een alt samenspannen. Daarbij wisselen ze ook voortdurend van plaats op het podium, hetgeen voorkomt dat het een statisch optreden wordt. Dat is ook het grote voordeel van hun aanpak zonder bladmuziek, ze spelen alles ‘uit het bolletje’. Erg knap is het dan ook, dat er helemaal niet zichtbaar wordt afgeteld of de maat wordt gewezen en het samenspel desondanks messcherp blijft. Meestal begint een van de heren met de opbouw van een stuk, zoals bij de ‘John Lee Hooker shuffle met Arabische kwartnoten’. Peter Broekhuizen begint met de basale blues riff in het laag, waarbij hij ook heel knap met veel boventonen hijgerige contrasten speelt en waarover Erker en Wirtz ritmische akkoorden spelen, waarop Delfos met op zijn mondstuk, waarvan de hoorn is losgekoppeld de typische oosterse glijdende kwartnoten speelt, door zijn wijsvinger er in heen en weer te halen. Ja hoor, hier werd gevingerd! Zo’n effect als bij een trekfluit. Toen hij zijn hoorn weer had aangekoppeld maakte hij zijn solo af op Traneske wijze. Want naast het fantastische samenspel lieten de heren een voor een zien, wat voor klasbakken het zijn, ook individueel.

Zo speelde Bart Wirtz geweldige solo’s, waarbij hij zijn alt liet afdalen in de verste uithoeken en spelonken van het geluidspectrum, van schrille ‘wanhoopskreten’ tot fluweelzachte ‘koesteringen’. Heel fraai. Artvark speelt ook met stemmingen; de harmonische, soms pastorale weldadigheid wordt soms bruusk doorbroken of afgerond met schrille ‘mol tien’ akkoorden en solo’s die even lekker wrang piepen en knorren. Dat er ook zonder te blazen muziek zit in saxofoons hadden we niet kunnen bevroeden, maar Artvark liet zien en horen dat dat wel degelijk mogelijk is in het korte stuk Breath In Breath Out. Curieus en grappig.

Na de pauze kwam zangeres Ntjam Rosie op het podium en al gauw bleek dat zij haar prachtige fysieke uitstraling niet nodig had om indruk te maken, want zij voegde met haar mooie stem een extra dimensie toe aan het instrumentale kwartet. Zij zong afwisselend in het Engels, Frans en Bulu. De laatste is de taal waarmee ze opgegroeid is in haar geboorteland Kameroen. Maar vooral het gebruik van haar stem als vijfde instrument was een fantastische aanvulling en meerwaarde en leverde voor uw recensent een aantal echte kippenvelmomenten op.

Het concert evalueerde in deze prachtige lange tweede set naar magische hoogten. We proefden, roken en zagen Afrika en haar felle kleuren in een eigen lied van Ntjam, waarin Artvark met tamboerijn begeleiding van de zangeres de heupen losgooide in een heerlijk repeterende groove.

Ntjam Rosie vertelde onder fraaie begeleiding van haar Artvark-mannen haar levensverhaal als economisch vluchteling: van Kameroen naar Maastricht en Rotterdam, wat haar een ‘zachte G’ en een ‘harde T’ opleverde, als inleiding voor een eigen lied over de vluchtelingenproblematiek. Artvark ging ook nog even op de olijke toer met behulp van tuinslangen, maar dat deed niets af aan de intensiteit, de warmte en de kracht van de muziek.

Een van de hoogtepunten van het concert – en dat waren er vele – vond ik de lange solo, die Mete Erker als intro speelde, waarbij hij met behulp van boventonen zijn tenor metalig vervormd liet loeien. Hierbij speelde hij een notenreeks in het middenregister, terwijl hij zichzelf tegelijkertijd begeleide met lage stoten uit de onderbuik van zijn instrument.

Na het laatste funky swingende stuk dwong het enthousiaste publiek met een staande ovatie een welverdiende toegift af, die de musici dankbaar aanvaarden. Dit concert was niet alleen een ontdekkingsreis, maar ook een hoogmis……..

Tekst Gerard Hoekmeijer – Foto’s Fred Geldermans