Recensie “TRIO LOUIS VAN DIJK”

 Zaterdag 17 november 2012; Studio 62

’t Had wel iets van een vervroegd Sinterklaasavondje. In ‘jazzclub’ Studio 62 pakte Louis van Dijk de ene na de andere muzikale surprise uit. Zo werd het een bonte avond voor de goed gevulde zaal met uiteraard veel generatiegenoten van de oude leeuwen op het podium. Toch bewezen ook een flink aantal jongeren, dat ‘oude meuk’ niet perse belegen behoeft te zijn.

Zeventiger Louis van Dijk bleek een tamelijk broze man te zijn geworden na langdurig ernstige aandoeningen te hebben ondergaan. Wijzend op zijn strottenhoofd, vertelde hij het publiek met zeer hese stem, dat ‘het daar een rommelzooitje was’, maar dat de rest nog prima functioneerde. Hij zette daad bij het woord door solo te openen met ‘de bron van de jazz’ – de blues. Een bluesje in G, er bestaat geen betere manier om even lekker los te spelen.

Al gauw introduceerde hij zijn medemusici, slagwerker John Engels en contrabassist Harry Emmery. Engels is net zo’n podiumveteraan als van Dijk en beiden hebben met name in de jaren zeventig langdurig samengespeeld, destijds met bassist Jacques Schols. Hij had zijn Helderse vriend en collega drummer IJf Blokker opgetrommeld en die keek vanuit de zaal goedkeurend toe hoe John Engels de sticks en brushes hanteerde. Engels is zo’n drummer, die één is geworden met zijn trommels en bekkens. Hij zit rechtop en verstild – schijnbaar bewegingsloos – achter zijn kit achteloos, maar geraffineerd subtiel zijn spel te spelen, altijd ten dienste van het geheel en altijd swingend. Hij is de grootmeester van ‘het klein houden’, geeft geen klap te veel. Niet voor niets dat Chet Baker zo graag met hem speelde, die hield niet van te veel herrie achter zich.

Mooi om te zien was de interactie van Engels en van Dijk in hun lichaamstaal, die duidelijk liet zien, dat ze veel plezier beleefden van elkaars spel. Voor de oplettende luisteraar was er dan ook veel te ontdekken, kleine details in de dialoog tussen piano en slagwerk: een pianotriooltje hier en het antwoord op het cimbaal. Louis van Dijk bleek overigens nog niets van zijn befaamde virtuositeit te hebben verloren en wisselde verstilde passages af met weidse vertellingen op het klavier, gespeeld in hogere versnellingen. De jongere routinier Harry Emmery(61) complementeerde het trio op professionele wijze met een fijne drive. Het totaalgeluid was lekker organisch en akoestisch. Alleen de rookwolken ontbraken aan deze ‘klassieke’ jazzclubsfeer.

Over klassiek gesproken: van Dijk is klassiek geschoold en is naast zijn grote liefde voor de jazz ook liefhebber van Mozart.

Hij vertelde het publiek, dat je heel voorzichtig moet zijn met het verjazzen van klassiek en daarbij vooral niet van die typische jazzakkoorden moet gebruiken zoals ‘mol 10’ en ‘mol 13’. Hij speelde daarna een aria van Mozart, die hij klassiek begon, waarna even later met de ritmesectie de swing toesloeg en vele voetjes ritmisch meebewogen.

 

Opvallend was, dat van Dijk op deze avond niet koos voor ‘opgelegd pandoer’, maar veel minder vaak gespeelde standards had uitgekozen, waarbij zijn voorliefde in de westcoast jazz van Gerry Mulligan, Bob Brookmeijer en Stan Getz duidelijk werd uitgesproken. Hij noemde Stan Getz ‘de beste saxofonist ooit’. Het publiek vond het allemaal best, luisterde aandachtig naar de muziek en beloonde de heren met een warm applaus, waarna het trio nog graag iets terugdeed met iets waar zij het best in zijn: swingen.

De heren lieten zich daarna ook nog graag even wentelen in de aandacht en bewondering van de fans en John Engels zette met plezier zijn handtekening op diverse zeldzame Chet Baker platenhoezen: ‘…..oh……die…..daar moest ik destijds potverdorie nog driehonderd gulden voor betalen……’

Gerard Hoekmeijer