Recensie Jazz at the Dockyard

29 mei 2022 – Theater De Kampanje

New Cool Collective
New Cool Collective

De dappere musici van de lokale bigband Frankie Goes To., die op de kade van Willemsoord Jazz At The Dockyard openden, trotseerden niet alleen een bijzonder koude lentewind, maar ook nog een regenbuitje. Dat deden zij met verve en de verwarmende koperklanken trokken al snel flink wat publiek dat de band beloonde met verdiend applaus. Dat ook de zon hierna af en toe doorbrak was uiteraard ook hun verdienste. Het was natuurlijk wel perfect weer voor een indoorfestival zoals dit.

Frankie goes to..
Op de kade Bigband Frankie goes to…

Jazz At The Dockyard, georganiseerd vanwege het 20-jarig bestaan van stichting Nieuw & Diep, was – dankzij een goed gevulde subsidie- en sponsorpot – voor het publiek gratis toegankelijk, mede in de hoop de mogelijke drempel voor jazzconcerten bij een groter publiek te slechten.

Exact op half twee ’s middags begonnen in de Kleine Zaal en de serre van Restaurant Stoom de eerste twee acts hun eerste set. Bij Stoom betrad niet de aangekondigde Dorona Alberti met Los Dos Baritonos de denkbeeldige planken, maar bespeelde Frits Landesbergen zijn ‘flessen’, zoals hij zijn vibrafoon liefdevol noemt. Hij was bereid gevonden om zangeres Dorona, die door haar twee blazers in de steek was gelaten, te vervangen. Landesbergen, die in het verleden heel vaak in Nieuwediep heeft gespeeld (café De Boei, ’t Gat van de Stier, de Citadel en Windkracht 13) had twee al even gelouterde musici meegenomen: Edwin Corzilius op contrabas, die jarenlang bij Toon Hermans speelde en Martien Oster op gitaar, die Den Helder voor het laatst aandeed als lid van de Original Grooves, begeleidingsband van de legendarische, vorig jaar overleden jazzorganist Dr. Lonnie Smith. Bij deze heren ben je aan het goeie adres voor heerlijke swing, soepel en schmalz gespeeld en geput uit het grote Amerikaanse liedboek.

Henry Hey's Waterfront
Henry Hey

In de Kleine Zaal was het echt een eerste kennismaking met de New Yorkse pianist Henry Hey, die samen met de Nederlandse bassist Mark Haanstra en drummer Mark Schenk het trio Henry Hey´s Waterfront vormen. Zij hadden elkaar ontmoet tijdens de realisatie van de Nederlandse uitvoering van David Bowie’s musical Lazarus, waarvan hij de arrangementen heeft geschreven. Hey bleek een fantastische pianist te zijn, die een subtiel touché combineert met een verfijnde techniek. Maar vooral zijn timing en dosering in de veelal poli-ritmische eigen composities waren adembenemend. Het samenspel van dit trio was werkelijk indrukwekkend. Prachtig waren de vloeiend en subtiel gespeelde overgangen naar weer andere maatsoorten en tempowisselingen, waarbij de heren voortdurend oogcontact hadden. Hey prees zijn ritmesectie terecht (The best I ever played with), want de beide Marken gaven Hey op fenomenale wijze partij. Henry Hey’s Waterfront oogstte na beide sets een staand ovationeel applaus van het publiek op de volgepakte tribune.

Ondertussen was de Stadshal lekker volgelopen met publiek en speelde New Cool Collective haar heerlijk weg swingende wereldmix van salsa tot boogaloo. Oprichter en bandleider Benjamin Herman had afgezegd omdat hij ergens over de grens een beter betaalde gig kon krijgen. Zo gaat dat soms in de jazz, maar netjes is het niet. Overigens maakte het niet veel uit, want hij mag dan niet, zoals Herman, de ‘best geklede jazzartiest’, zijn, Efraïm Trujillo bespeelt zijn saxen misschien wel beter! (Lekker puh, Ben). Overigens was er niets mis met de kleding van Trujillo, die Herman met gemak deed vergeten. Voor de rest was alles vanouds bij NCC. Chef machinekamer, drummer Joost Kroon hield de gang er strak in en samen met de twee percussionisten, Jos de Haas en Frank van Dok en bassist Leslie Lopez en gitarist Rory Ronde legde hij een heerlijk spetterende ondergrond neer, waarop Trujillo en trompettist/trombonist David Rockefeller hun chorussen en solo’s konden spelen. Willem Friede vulde het allemaal aan met fijne akkoorden op de Fender Rhodes en veel synthesizer solo’s. En het mag gezegd worden: het geluid was bij André Woestenburg en zijn mannen in goede handen; alles klonk als een klok, ook in de grote Stadshal.

In de Kleine Zaal kreeg het trio Montis Goudsmit & Directie al meteen het publiek mee in een dolle rit, waarbij drummer Cyril Directie de show stal met zijn clowneske presentatie. Ja, laat dat maar aan Cyril over, hij lult het publiek helemaal suf, onderwijl kick en high-hat bedienend. Terwijl het orgeltrio gewoon doorstoomt organiseert hij ook nog een kleine popquiz: wie schreef de hit Sunny? Nee, dus niet Boney M, beste Cyril, maar Bobbie H, Bobbie Hebb. Ken je klassieken. Het blijft natuurlijk een fijn stel met de heerlijke organist Frank Montis – let ook op z’n linkerhand: een fijne funky bas – en het tegendraadse gitaarspel van Anton Goudsmit. De Jimmy Smith klassieker Back At The Chickenshack was weer lekker vet en groovy en het publiek op de volle tribune smulde uit Cyril’s handen. Het aangekondigde nieuwe werk viel mij niet echt mee. Montis Goudsmit & Directie is in potentie een van de beste orgeltrio’s van ons land, maar een beetje minder lol van Cyril en wat meer aandacht en directie voor de muziek kan geen kwaad.


De Amsterdamse funkateers van The Jig bleven het vele publiek in de Stadshal goed bij de les te houden, want geswingd werd er nog steeds volop. Zij hadden de laatste jaren in Windkracht 13 natuurlijk een reputatie opgebouwd met hun volvette sound. Rond de strak pompende bas van Arry Niemantsverdriet en het stuwende drumwerk van Niels van Groningen klinken de chorussen van het koper lekker scherp. Het Funktijdperk met groten als Sly, James, Bootsy en George ligt natuurlijk al ver achter ons, maar het genre heeft nog veel liefhebbers, zo bleek ook gisteren weer in Den Helder. The Jig speelt overigens overal in de wereld, dus funk is nog steeds alive and kickin’. Helaas daalden de blazers deze keer niet af van het podium (was ook wel behoorlijk hoog) om samen met het publiek een New Orleans Street Parade uit te voeren, maar je kan niet alles hebben op zo’n dag.

In de tot de glazen nok gevulde serre van Stoom had het Rinus Groeneveld Kwartet een ook werkelijk stomende eerste set neergelegd, waarbij de temperatuur tot grote hoogten werd opgejaagd. Good Old Rinus, geen grammetje vet zit eraan en zijn kleren ogen allemaal een maatje te groot, maar wat een geluid komt er uit die hoorn van hem. Een echte Hoorn des Overvloeds. Coltrane, Rollins, Gordon, ze kwamen allemaal wel een keer langs en met wat een gemak speelt deze oude vos zijn improvisaties. En wat een lekker bandje had hij mee! Nou ja bandje mag ik niet zeggen eigenlijk, dit was een band met grote B. Een ritmesectie met Steve Altenberg(drums) en Cees van de Laarse (basgitaar), die kan swingen maar ook zo funky is als de neten. En pianist Cajan Witmer, die van elke solo een prachtig verhaal maakte op zijn heerlijk klinkende Fender Rhodes. Standards als Filthy McCarthy, maar ook Pull Up To The Bumper van Grace Jones werden vol verve en fris van de lever gespeeld, waarbij het spelplezier ervan afspatte. Prima bas- en drumsolo’s. Niks geen ‘ouwe meuk’, zoals sommige dit noemen, dit is jazz zoals jazz moet zijn: vitaal en uitdagend. Het publiek hield in de tweede set haar hart vast, als Rinus al spelend een stoel beklom, want niet alleen fantastisch blazen, maar ook nog show maken – laat dat maar aan hem over. Zelfs een Jimi Hendrix parodie – ook leuk met een tenorsax – of gillende hoge noten met losse handen minutenlang vol houden, Rinus Groeneveld draait er zijn hand niet voor om. Nu nog met je tanden en op je rug, dacht ik nog even. Maar even later werd ik alweer ingepakt door een ontroerend mooie solo van Cajan Witmer. Rinus nam die prachtig over op zijn houten dwarsfluit.

Met Henry Hey´s Waterfront vond ik dit Rinus Groeneveld Kwartet het hoogtepunt van dit geslaagde jubileum festival. Ook is de locatie Theater De Kampanje uiterst geschikt gebleken voor dit soort evenementen. Nieuw & Diep kan terugkijken op een zeer geslaagde 1e(?) editie van Jazz At The Dockyard.

Tekst Gerard Hoekmeijer / Foto’s Joop van de Water en Fred Geldermans

Recensie Yuri Honing Acoustic Quartet

Zondag 21 november 2021 I JazzClub Nieuw & Diep                                                                                                                                

Yuri Honing Acoustic Quartet in JazzClub Nieuw & Diep

Dezelfde instrumenten als bij het Ben van den Dungen Quintet in oktober: saxofoon, piano, contrabas en drums, maar toch een heel andere muzikale wereld. Geen blues, gospel of bebop, maar Goethe, Strauss en Dylan Thomas als inspiratiebronnen. In de sfeervolle kleine zaal van de Kampanje waren ruim zeventig liefhebbers getuige van een indrukwekkend optreden van Yuri Honing en zijn kwartet. Het concert was al een paar keer uitgesteld en was onderdeel van een tour, met als thema het album Bluebeard uit 2020. De heren waren net terug van een optreden in Istanbul maar vertoonden geen tekenen van jetlag.

Vanaf de eerste schuchtere, pastorale piano akkoorden van Wolfert Brederode en subtiele cymbaaltikjes van Joost Lijbaart werd het publiek meegenomen naar de wereld van de reus Blauwbaard. De tenorsax van Honing vertelde het verhaal in lange, volle, van klank bezwangerde noten, die de ruimte vulden. De composities ademen Schubert en Chopin en zijn opgebouwd als preludes, die door het kwartet als ware het één organisch geheel worden ingevuld. Geen rondjes met solo’s, maar een groepsimprovisatie, waarin de piano de aangever is en de sax daarover de melodie vertolkt. Heel bijzonder hierbij is de rol van de ritmesectie. ‘Ritmesectie’ klinkt in dit verband niet eens correct, want wat Gulli Gudmundsson met zijn contrabas – een kop groter trouwens – en Joost Lijbaart met zijn drums hier doen is veel meer dan het neerleggen van een ritme. Zij kloppen de melancholie, opgewekt door piano en sax als het ware op tot een meer luchtig geheel. Zij maken de fraaie melodieën spannend en avontuurlijk: waar gaan ze naar toe? Hoe komen ze er weer uit?

Gudmundsson (volgens Honing ‘de schrik van Verstappen’) houdt met zowel Brederode als Lijbaart oogcontact om zoals een doorgewinterde stuurman het schip door de woeste baren te leiden. Joost Lijbaart (‘de natte droom van Lewis’) is een slagwerker van de buitencategorie met een onnavolgbaar eigen handschrift. Continu wisselend van sticks naar brushes en mallets beroerd hij zijn trommels en cymbalen, vertelt hij steeds weer een ander ritmisch verhaal. Naast stukken als Bluebeard Maze en Narcissus, werd in de eerste set ook een ouder werk als het wonderschone Desire gespeeld.

Heel fraai is het spel van Wolfert van Brederode. Hij geeft met zijn akkoorden de richting aan en reageert subtiel op de anderen. Prachtig is het ‘vraag-en-antwoordspel’ met Yuri’s sax, leidend tot fraaie, soms contrapuntische versiersels. Brederode lijkt op het eerste gehoor een bescheiden rol te spelen en speelt vrijwel geen solo’s, maar improviseert in feite voortdurend binnen de harmonische kaders van de muziek. Hij is daarbij een onmisbare schakel in het geheel.                                                

Na de pauze werden ook twee stukken van het Edison winnende album Goldbrun gespeeld, die geheel pasten in de sfeer van het concert. Alle gespeelde stukken waren wat mij betreft fraai met een mooie spanningsboog en ook van een te behappen lengte, maar één stuk was werkelijk indrukwekkend: het op een gedicht van Dylan Thomas geïnspireerde Do Not Go Gentle Into That Good Night. ‘Rage, rage against the dying of the light…’, over de woede van de dichter over diens vaders aanvaarding van de dood. Over een huppelend, medium tempo gedrapeerde piano akkoorden verhaalt Honing in machtig mooie lange noten over berusting en woede. Heel langzaam en subtiel wordt de spanning opgevoerd…Rage!……..Rage! De noten worden schriller en wanhopiger, de sax scheurt door het plafond en wordt steeds meer opgejaagd door zijn metgezellen. De apotheose is werkelijk adembenemend als Brederode, Honing en Gudmundsson allen naar Lijbaart toe gaan spelen en hem nu opjagen tot een duizelingwekkende solo, die totaal abrupt wordt afgebroken. Orgastisch!

Yuri Honing is niet alleen een groot saxofonist en componist, maar tevens een uitstekende performer, die met subtiele humor het publiek aan zich bindt. Behalve liefhebber van de 19de -eeuwse romantiek, is hij ook fan van David Bowie. Zo speelde hij vaak zijn versie van Wild Is The Wind en nu sloot hij het concert af met After All, een song van diens album The Man Who Sold The World. Volgens Honing liet de Helderse muzikanten CAO niet toe dat er langer werd gespeeld (‘het wordt tijd voor een muzikantenvakbond!’ riep hij nog), maar hij en zijn geweldige kwartet lieten zich – na een staande ovatie van het publiek – toch graag verleiden voor een korte toegift.

Tekst Gerard Hoekmeijer, Foto’s Fred Geldermans

Recensie Ben van den Dungen quartet

Ben van den Dungen Quartet – Tribute to John Coltrane in JazzClub Nieuw&Diep

24 oktober 2021 I JazzClub Nieuw & Diep – Stadshal Theater De Kampanje

Super Sunday! Dat zou het zijn, volgens de geruchten, vanwege allerlei voetbaltoppers en Max. Allemaal leuk en aardig natuurlijk, maar in JazzClub Nieuw & Diep was het pas echt super met het in topvorm verkerende Ben van den Dungen Quartet. Het al wegens virale toestanden twee keer eerder uitgestelde A Tribute To John Coltrane, werd een prachtig en gedenkwaardige ode aan één van de grote helden van de moderne jazz, één van de reuzen van de tenorsax.Voor een behoorlijk goed gevulde Stadshal, die – hoewel voor jazz een tikkeltje te XXL – toch met behulp van gordijnen en allerlei zitjes behoorlijk ‘intiem’ en sfeervol gemaakt kan worden, begon het kwartet met een fraaie ballad The Wise One. Bij de eerste tonen van zijn tenorsax weet je eigenlijk al meteen dat het goed zit, want wat zijn die prachtig, warm en krachtig, inclusief het ruisen en ritselen van de door het riet aangeblazen lucht. Van den Dungen behoort tot de absolute top, dat visitekaartje geeft hij direct af: dit is hoe een tenorsax moet klinken, dit is de klare lijn. Maar dat geldt niet minder voor zijn metgezellen op het podium, stuk voor stuk kanjers op hun instrument.

Van den Dungen was ook op dreef als verteller die het concert lardeerde met talloze aardige en interessante weetjes over Trane. Over diens steeds meer groeiende spiritualiteit en religiositeit – natuurlijk: The Wise One! Maar ook over het grote saxofonistenprobleem: hoe houd ik mijn riet nat in een ‘droge’ zaal? Van alles had hij geprobeerd tot tabaksbladeren van Cubaanse sigaren aan toe om uiteindelijk in plastic broodzakjes de perfecte oplossing te hebben gevonden. In het voor ‘conculega’ Sonny Rollins geschreven Like Sonny kwam de band ‘goed op stoom’ in een heerlijke swing met dito solo’s op tenorsax, piano en contrabas.

Miguel Rodrigues speelde frivool, zonder overbodige verwijzingen naar McCoy Tyner, pianist van het grote Coltrane Quartet. En dat paste goed, dat sprankelende spel van deze in Spanje geboren pianist met die fijne lichte toets – ook in de composities van de legende. In Mongo Santemaria’s Afro-Blue bespeelde van den Dungen voor het eerst deze middag de sopraansax, het instrument dat via Sidney Bechet door Coltrane een populaire plaats kreeg in de jazz. Afro-Blue, met zijn opzwepende afro-latin groove, kreeg van de heren een dampende uitvoering, waarbij de sopraansax – door Ben loodrecht omlaag aangeblazen – zijn noten hoog de nok in joeg in razendsnelle reeksen. Hij beheerst dit toch moeilijk in toom en toon te houden instrument als geen ander. In dit stuk ook weer vlammende solo’s van Rodrigues, die nu toch ook zo hier en daar wat Tynereske powerchords van zijn linkerhand liet neerdalen op het klavier.

Wat mooi is in deze tijd met PA’s, geluidstechneuten en die schattige kleine versterkertjes, dat je de contrabas beter dan ooit kan horen. En dan ook nog bespeeld door Marius Beets, die in de loop der jaren vrijwel helemaal vergroeid lijkt met zijn instrument, waar hij schijnbaar stoïcijns achter staat te plukken. Maar de passie spat ervan af. Wat een drive! En dan zijn solo’s, vloeiend, zuiver, krachtig en met soms grote intervallen. Ik had nooit bevroed dat je op zo’n instrument kan schmieren, maar dat kan dus. Zoals hij soms glissando’s oprekt tot het uiterste hoog, tot op het uiterste laagtepunt van de hals en deze dan wat vertragend abrupt afbreekt……ja, dat is grote klasse. Samen met drummer Gijs Dijkhuizen vormt hij een ritmesectie van heb ik jou daar. Masters of swing! De legendarische Jiskefet scene, waarbij de drie heren elkaar al vingerknippend bevuren op een lekkere jazzswing, komt dan altijd weer op mijn netvlies en ik betrap me er dan op het lichaam niet meer in bedwang te kunnen houden en onbeschaamd met voeten en vingers de groove mee te beleven. Dijkhuizen lijkt er ook steeds jeugdiger bij te worden en het is heerlijk om te zien hoe liefdevol hij zijn kit geselt en streelt. Je hoeft niet allemaal Jones te heten. Met I Want To Talk About You van Billie Eckstine kreeg het concert een wat rustiger voortzetting, waarin van den Dungen, Rodrigues en Beets excelleerden in fraaie solo’s op een fijne medium swing. Moment’s Notice was een prima afsluiting van de set.

In 2003 gaf het Branford Marsalis Quartet een schitterende uitvoering in het oude BIM-huis van de suite A Love Supreme, toch het Magnum Opus van Het Kwartet. Ik herinner mij discussies met jazzpuristen hierover: zoiets kon niet volgens deze soort. Aan zo’n meesterwerk mag je je niet bezondigen. Nou, ik zou niet weten waarom niet. Bach en Beethoven worden toch ook nog gespeeld?! Ik was er niet bij, maar heb wel de DVD van dat concert, en dat was van kippenvel verwekkend niveau. Ben van den Dungen maakte er een verkorte versie van, wel met stukjes van alle vier delen. Prachtig gespeeld met ook een heerlijk dynamische drumsolo van Dijkhuizen. De intensiteit van Marsalis en co. werd weliswaar niet gehaald, maar deze uitvoering deed geheel eer aan het oorspronkelijke werk. Van den Dungen herinnerde er nog aan dat Coltrane begon als R&B saxofonist en dat er op elke plaat wel een of meer bluesjes stonden. Een ervan werd hier gespeeld, Mr Syms, dat met een fijne shuffle werd neergezet. In een van Coltrane’s mooiste ballads, een ode aan zijn eerste vrouw Naima, kon Ben weer zijn fraaie sopraanspel etaleren terwijl Miguel Rodrigues uitpakte met een doorleefde, soulvolle pianosolo. Van de samenwerking tussen Trane en Ellington uit 1963 werd Duke’s mooie Angelica gespeeld – ‘kopen die plaat’, raadde hij zijn publiek aan.
Helemaal in pastorale sfeer werd het concert afgesloten met het prachtige After The Rain, een ballad om in melancholie rond te wentelen. Het was een ontroerend mooi concert, een eredienst eigenlijk, al hadden er wat mij betreft wel wat meer van Trane’s zoekende, hectische, demonen bevechtende en hemelbestormende partijen mogen klinken. Het kwartet had echter de zaal volledig aan zijn voeten en kreeg een terechte staande ovatie.

Tekst Gerard Hoekmeijer – foto’s Joop van de Water                 

Recensie Broken Brass

Broken Brass in Jazzclub Nieuw&Diep
Broken Brass in Jazzclub Nieuw & Diep

Zondag 19 september I Broken Brass in Jazzclub Nieuw & Diep

Een mooie nazomer dag in september – bijna herfst! Maar meer nog een nieuw begin na 1½  jaar virale obsessies, waarbij het sociale en culturele leven op een laag pitje stonden: een nieuwe lente! Dan is Broken Brass het perfecte medicijn, de ultieme panacee. Broken Brass, een negenkoppig gezelschap jongeheren zagen zich – wellicht tot hun schrik – op deze zondagmiddag geconfronteerd met een zaal met veel grijs, die ook nog volgens het heersende coronaprotocol verzegeld zaten op hun stoeltjes met bijzettafel. Slechts de vaasjes met narcissen ontbraken. Maar, hoe onwaarschijnlijk het ook lijkt, de heren slaagden in hun missie om ‘leven in de brouwerij’ te brengen. Het geluidsvolume had een vroegtijdige leegloop kunnen veroorzaken, maar tot mijn verbazing bleven de ‘Boomers’ (waaronder ondergetekende) allemaal zitten. Sterker nog, na enige tijd overstemden de krakende botten en kreunende pezen van de uit hun zitje oprijzende senioren, die hun heupen onbedwingbaar lieten ontwaken, zelfs de diep laag pompende sousafoon en het schetterend koper! Wat muziek zoal vermag.

Broken Brass Sousafoon

Broken Brass had al eerder in Den Helder gespeeld, het was het laatste concert in Galerie Windkracht 13 in december 2019 en had toen de tent helemaal op zijn kop gezet. Het was een droevig moment – een afscheid – maar tevens een feest. En dat is nou net wat deze muziek bij mensen teweeg kan brengen. Muziek voor bruiloften en uitvaarten. Denk aan het Helderse Fanfarekorps (bestaat dat nog?), met Hennie Abbenes op tamboerijn, maar dan ‘on speed’ of zo u wilt wat meer gereformeerd, na het nuttigen van een flink aantal glaasjes jonge jenever. Twee trompetten, drie trombones, één altsaxofoon, trommels en sousafoon – wat wil een mens nog meer? Nou. Lekkere funky grooves bijvoorbeeld. Check! Een zanger met een strot, tevens trombonist. Check! Een rapper annex percussionist, Check! En bovenal korte liedjes, met een hook en een twist, allemaal de heupen stimulerend. Há, wat speelt die Nic Feenstra een lekker schmierend romige altsaxsolo. Há, wat ronkt die sousafoon lekker ranzig en zo laag! En wat scheuren die schuivende trombones onbeschaamd door alles heen en schetteren de trompettekens vuig langs het zwerk. Ja, zo lust ik er nog wel een paar.

Broken Brass Zanger

Je zou in de ongedwongen feestvreugde bijna vergeten dat de heren ook nog superstrak spelen. Geen bladmuziek te bekennen, maar gewoon fraai gearrangeerde koperchorussen spelen, die dankzij de uitstekende geluidstechniek prima in balans waren. Zo kon je de in dit geweld toch wat iele altsax heel goed horen, zoals in de solo met wah-wah effect. In de tweede set werd alles met nog meer enthousiasme ingezet.

Broken Brass drummer

Het koper klonk krachtig en fantastisch, de drummer speelde een heel fijne solo, opgehitst door het meelevende publiek. Jamaica werd ook nog aangedaan met een fijne uptempo ska. Lekker hoor, maar de finale bracht ons toch weer in New Orleans, de bakermat van het genre. En dat nog wel met een gospelsong. Een gospelsong – gezongen door alle zes blazers – over de dood. It was a fine morning when I went to heaven. Kijk, zo kan het dus ook: vrolijk het aardse inwisselen voor het ondermaanse. Je krijgt er zowaar zin in! Pure soul is het en als het koper verder blaast, heerlijk aanstekelijk. De uitvaartmuziek top tien ziet er zo toch heel anders uit. Weg met My Way (Lee Towers), weg met Waarheen Waarvoor (Mieke Telkamp).

Broken Brass flikte het weer, zeker toen ze blazend, pompend en trommelend – tot algemeen genoegen – in polonaise de zaal in marcheerden.          

Tekst Gerard Hoekmeijer / Foto’s Fred Geldermans

Recensie Kafka on the Shore

Ikarai x Sanne Rambags x V&J in Jazzclub Nieuw&Diep Den Helder

Zondag 27 juni 2021 I Ikarai x Sanne Rambags x V&J

Na negen maanden muzikale onthouding was het eindelijk zover: een optreden van echte muzikanten, mensen van vlees en bloed, die echte instrumenten bespelen. Dat gevoel had uw recensent tenminste en waarschijnlijk ook het publiek dat aanwezig was. Niet een ‘overweldigende’ opkomst, want er konden met gemak nog mensen bij. Maar ja, het was een mooie zomerse zondagmiddag, wat ook heel bijzonder is in dit rare jaar. En Mathieu en Max beconcurreerden ons ook nog. Toch was het prima toeven in de grote ‘stadshal’, dat met kleine zitjes toch enige intimiteit wist te creëren.

En zo konden we getuige zijn van een ‘nieuwe vorm van concertbeleving’, zoals Ikarai dit in haar promotie voorstelt. Echt veel nieuws kon ik echter niet ontdekken, er bestaat immers al een heel oude traditie van muziektheater, van opera en operette, van music hall en musical, van cabaret, vaudeville en Brecht. Anno 2021 wordt er niet meer met gordijnen en decorstukken gewisseld, maar is er een VJ van dienst, die op het podium, staande achter een keukentafel met laptop zijn taken waarneemt. ‘Visualist’ Bas ten Berge kweet zich naar behoren van zijn taak en had een belangrijk aandeel in het theatrale aspect van deze voorstelling, die was geïnspireerd en gebaseerd op de roman Kafka On The Shore van de Japanse verteller Haruki Murakami. De teksten van deze voorstelling – het libretto zo u wilt – zijn van de hand van Frank Sierra.                                                      

Het stuk opende met morseseinen, voortgebracht op een ouderwetse typemachine, zo een waar je nog lekker hard op moest rammen! Op het grote beeldscherm boven het podium zagen we de Engelse tekst verschijnen, terwijl slagwerker Jeroen Batterink (mooie naam voor een drummer!) het morsige staccato ritme van de schrijver overnam. Contrabas en piano gingen mee en ook de strijkers vallen in. Steeds weer nieuwe tekstregels verschijnen en de musici laten zich hierdoor meeslepen in een behoorlijk abstracte, en op het eerste gehoor tamelijk vormeloze ouverture. Bassist en muzikaal leider Camiel Jansen vervolgt met een korte introductie van het verhaal, waaruit we kunnen opmaken dat het verhaal vooral draait om de verhouding van de protagonist tot zijn moeder en later steeds meer tot andere vrouwen in zijn leven, waarbij de vrouwelijke personages langzaam in elkaar overvloeien Althans dat maakte ik eruit op (Ik heb het boek niet gelezen, dat u het weet). Enfin, toch weer Freud en Oedipus, lijkt me. Jansen leidde hierna met zijn bas een volgende instrumentale passage in, die helaas ook melodiearm bleef en ook in ritmisch opzicht mij niet kon bekoren.

Hierna werd zangeres Sanne Rambags door de bandleider geïntroduceerd, hetgeen mij bij voorbaat een welkome aanwinst leek te zijn. Zij begon met het zingen van frasen tekst in het Engels, die overgingen in woordeloze klankreeksen, waarbij zij al meteen liet horen welke kwaliteiten haar zang heeft. Zij bleek over een prachtig heldere sopraan te beschikken, die tot in alle registers vast en zuiver bleek te zijn. Zij is meer dan een zangeres, een stemacrobate. Dat kwam vooral tot uiting in haar expressie van de vele behoorlijk krolse katers, die de verbeelding van Murakami vullen. Terwijl op het scherm boven haar vele katten uit de hemel vielen en weer opstegen, krolde en kroelde Rambags zich op indrukwekkende wijze omhoog, in onnavolgbare toonladders, die moeiteloos bestegen werden en afgedaald, uiteindelijk leidend tot een climax op duizelingwekkende hoogte, waarbij haar stem fraai ‘gedubbeld’ werd door de altviool van Yanna Pelser. Of het een hoge C was of een hoge E – ik beschik niet over een absoluut oor – laat ik in het midden, maar ze hield hem ijzingwekkend lang aan. Bijzonder ook dat het nergens schril klonk, zoals bij echte katten. Erg knap. Misschien had haar frisse duik in de Noordzee, bij het Huisduinerstrand die ochtend, daaraan bijgedragen? Dit was in mijn oren het hoogtepunt van de voorstelling. Ikarai varieerde nog als bassist Camiel Jansen zijn mandoline inzette bij een aantal stukken, waarbij in een 6/8 countryachtig walsje iets van een song het dichtst benaderd werd. Op een prima pianosolo van Julian Schneemann na, kregen ook de musici niet veel ruimte tot expressie, zodat het eventuele jazzgehalte van de voorstelling heel klein was. Wel is het altijd weer mooi als de strijkers – Tessel Hersbach op viool, Yanna Pelser (altviool) en Bence Huszar (cello) op sommige momenten overgaan tot pizzicato spel. Toch viel mij het muzikale deel mij tegen. Deze voorstelling moet het echt hebben van de bijdrage van Sanne Rambags en de visuals van Bas ten Berge, die ons overigens meer door donkere bossen en Kubricksiaanse zwarte gaten leidde, dan naar een strand, laat staan naar Kafka.


Terwijl uw recensent zich vandaag ontpopt als een ware zuurpruim, bleek het Helderse publiek Ikarai in het hart gesloten te hebben.             

Tekst Gerard Hoekmeijer